Hilversums Kanaal-website-6

De aanleg van het Hilversums kanaal tussen 1933-1937                                         

Van crisisproject tot icoon van recreatie

 

Dit is de titel van een door  Henri Spijkerman gehouden lezing  op vrijdagavond 24 oktober 2025 voor een gehoor van circa zeventig  geïnteresseerde Bergers en Kortenhoevers, die daar graag wat meer over wilden weten. Nou… ze zijn aan hun trekken gekomen, want de Wijdemeerse archivaris had er een met veel foto’s verluchtigd, boeiend verhaal van gemaakt. Na wat opstartmoeilijkheden, vanwege het zoeken naar de verdwenen WiFi-code van de Bergplaats, verraste Henri zijn publiek op een duidelijke uiteenzetting over dit bijzondere kanaal. De naam is terecht, want het is nog altijd met inbegrip van de sluis en de brug van ’t Hemeltje eigendom van de gemeente Hilversum. Dit in de jaren twintig van de vorige eeuw sterk uitbreidende dorp zocht naar een uitweg om de grote omweg die het voor de aanvoer van goederen over water moest maken, voor eens en voor altijd op te lossen.

Hoe kwam dat?

De bestaande route was lang, smal en steeds vaker te ondiep voor vrachtschepen. Bovendien mocht het laadgewicht van een schip, dat in de vlakbij het centrum gelegen Oude Haven aan wilde meren, niet meer  dan 35 ton bedragen. Zelfs dat was vaak al te veel, want de vrachtvaarder kreeg onderweg naar zijn  eindbestemming te maken met een groot aantal ondieptes. Na vanaf de Vecht door de sluis bij fort Uitermeer  naar de ’s-Gravelandsevaart geschut te zijn, zat de kans erin dat zijn schip al bij Ankeveen voor het eerst aan de grond liep. De lading moest dan voor een deel  met mankracht in vletten overgeladen worden om weer verder te kunnen varen. Nadat het schip uiteindelijk in de Oude Haven aan kon meren, was het vooral bij laag water door al dat vlottrekken haast voor driekwart leeg. In haar kielzog volgden de vletten. Voor hij ter plekke was, had de schipper bovendien lang moeten wachten in een kolk (het Luije Gat) bij de Noordersluis, voordat hij over de ’s-Gravelandsevaart langs de bebouwing van ‘s-Graveland mocht varen. Die doorvaart verliep mondjesmaat vanwege de geringe breedte. Via de Gooise- of Berensteinsevaart kon de schipper bijna rechtdoor ongehinderd op de aan de Vaartweg gelegen Oude Haven af varen. Daar zorgde een groot aantal sjouwers voor het uitladen van zijn overgebleven lading en die van de vletten. Alles moest over trappen naar een tien meter hoger gelegen opslagplek gedragen worden. De foto die Henri daarvan liet zien sprak boekdelen, ga er maar aanstaan! Het laatste deel van de vaart ligt in een kloof en komt uit bij de aan het eind gecreëerde Oude Haven. In onze ogen misschien een ongelukkige plek, maar er zullen in die tijd wel geen andere opties zijn geweest. U zult begrijpen dat deze achterhaalde aanvoerroute de gemeente op steeds hogere kosten joeg. De kloof is nu ten gevolge van het alsmaar toenemende wegverkeer een wat verborgen  natuurgebiedje geworden. 

De oplossing     

Goede raad was duur. De meeste industrie van Hilversum bevond zich vlakbij het in 1870 aangelegde Oosterspoor. Het ‘Gooisch Kanalen Comité’ deed een beroep op de hoofdingenieur Weg- en Waterbouw bij de Provinciale Waterstaat van de provincie Utrecht, ir. A.A. Mussert. Hij onderzocht eerst  alle ins en outs voor een kanaal in oostelijke richting dat dan op de Zuiderzee uit zou moeten komen. Maar op dat onvoorspelbare water voeren de rijnschepen niet graag. Uit verder onderzoek bleek dat de meeste schepen met bestemming Hilversum uit het zuiden via het Merwedekanaal en Smal Weesp over de Vecht naar de sluis bij Uitermeer voeren. Mussert opteerde uiteindelijk  voor de aanleg van een kanaal in westelijke richting. Op de tekening begon dat bij een nieuw gepland haventerrein ten westen van Hilversum. Het volgde van daaruit op een  afstand van een paar honderd meter van de Gooise Vaart haar weg tot aan ’s-Graveland. Daar liep het tracé verder door de Kortenhoefsepolders en langs de Kortenhoefse Zuwe naar Fort Kijkuit. Vanaf daar kon dan de verbreding van de achter de Gabriëlmolen gelegen Kortenhoefse Wetering ter hand genomen worden. Dat laatste stuk leidde kaarsrecht naar de boerderij het Hemeltje. Precies op die plek was de sluis naar de Vecht geprojecteerd. De naam van de boerderij kreeg ter compensatie eeuwigheidswaarde, want op de tekening stond de schutsluis met brug – Nederhorst den Berg moest bereikbaar blijven – al aangegeven onder de naam ’t Hemeltje. De lengte van dat te realiseren Hilversums Kanaal bedroeg plusminus acht kilometer. De aanleg zou die gemeente een besparing aan transportkosten van circa f 200.000,- per jaar opleveren.

Veel vliegen in één klap

De tijd drong want Hilversum kreeg te maken met een alsmaar toenemende vraag naar goederen, waaronder vooral veel materiaal voor de bouwwereld. Het kanaal moest er voor zorgen dat veel grotere schepen (op den duur tot meer dan 400 ton) vanaf de Vecht, zonder hindernissen tegen te komen in de Nieuwe Haven af konden meren. De sluizen bij Nigtevecht zorgden er voor dat de vrachtvaarders vanaf het Merwedekanaal, via de Vecht en de Nesservaart, al heel gauw bij de sluis ’t Hemeltje aankwamen. Doordat bedenker Mussert een goed overzicht had van de plannen in de verre omgeving, konden er tijdens het graven van het kanaal meerdere werken tegelijk uitgevoerd worden. Onder meer de realisatie van het eerste stuk van de geplande provincialeweg  Hilversum-Haarlem tot aan Loenersloot. De oorlog gooide later roet in het eten want anders hadden die goed doordachte plannen al veel eerder hun beslag gekregen.

Hilversum stond te trappelen

 De aanlegkosten, inclusief onteigening, wegverbetering en de bouw van bruggen en de sluis, waren begroot op een bedrag van f 1.350.000,-. In 1931 mocht er begonnen worden met de bouw van de sluis ’t Hemeltje. Hilversum had het werk voor f 153.000,- gegund aan aannemersbedrijf v/h A. Bloemers uit Winterswijk. Doordat het bedrijf failliet ging, zorgde dat voor de nodige stagnatie. Ondertussen groeven in 1933 polderjongens met de schop het beginstuk van het kanaal bij Hilversum tot aan de brug bij ’s-Graveland. Zij legden tevens het stuk weg aan dat van de Zuidersluis naar de Raaweg kwam te lopen (de verbinding met Loosdrecht). In het kader van de bestrijding van de werkeloosheid begonnen in 1934 Bergers en Kortenhoevers met de aanleg van het laatste stuk kanaal. Het werk startte bij ’t Hemeltje en hield in dat de eerste meter van het traject tot aan Fort Kijkuit eveneens met de schop uitgegraven moest worden. Daarna baggerde een baggermachine de vaargeul uit tot een diepte van drie meter. Het gedeelte van het fort tot aan de onderdoorgang naar de Wijde Blik zou later een zandzuiger van Blankevoort voor haar rekening nemen. De firma wilde als de sluis klaar was beginnen met het zuigen van zand in deze Kortenhoefse polder. Maar dat had nog even tijd nodig. De provincie Noord-Holland  gaf Hilversum pas in 1935 toestemming voor de aanleg van de Nieuwe Haven, onder het beding dat deze tegelijk met het kanaal gereed moest zijn. In deze haven waren   een aantal loswallen gepland die loodrecht op het laatste stuk kanaal kwamen te liggen. Op vervoer over de weg was nog niet gerekend. In de jaren zestig van de vorige eeuw zijn  twee van die insteekhavens gedempt omdat het  wegverkeer de overhand kreeg. De oude structuur is als zodanig nog goed te herkennen.

Het eindresultaat mocht er zijn

De officiële in gebruik name van de sluis, het kanaal en de Nieuwe Haven vond plaats in 1936. Blankevoort was er als de kippen bij om van de sluis gebruik te gaan maken voor de afvoer van het opgezogen zand. De zandbakken beschadigden echter de sluiswanden dusdanig dat de provincie Noord-Holland ingreep. Zij stond in haar recht, want ze betaalde ook mee aan het project. Ze liet de sluis repareren, ging haar zelf bedienen en zegde Blankevoort de wacht aan. Hilversum moest gaan betalen voor het schutten van de vrachtschepen die materiaal aanvoerden voor de verdere inrichting van de Nieuwe Haven. In 1938 droeg de provincie de sluis met alle lusten en lasten over aan de gemeente Hilversum. Zij loste de problemen met Bagger Mij. Blankevoort op. Uiteindelijk heeft de aanleg van het kanaal Hilversum geen windeieren gelegd. Totdat het wegverkeer het vervoer over water verdrong , heeft zij er ongekend financieel  voordeel  van gehad. Na tien jaar waren de gemaakte kosten er al uit. Nederhorst  den Berg  was tevens spekkoper. Haar geïsoleerde ligging was gedeeltelijk opgelost door de naast het kanaal aangelegde Vaartweg. Later is die weg omgedoopt tot Gabriëlweg om verwarring met de in Nederhorst den Bergse Vaartweg te voorkomen. De omweg over de Vechtdijk naar Vreeland was uit de wereld  geholpen. Kortenhoef lag ineens een stuk dichterbij Overmeer.

Tot slot  

Het publiek bedankte Henri  met applaus voor zijn mooie samenvatting  van de perikelen rond de aanleg van het Hilversums kanaal in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Het Hilversums Kanaal blijft na het wegvallen van het beroepsscheepvaartvervoer richting de Nieuwe Haven toch druk bevaren. Het is in deze waterrijke streek een onmisbaar onderdeel van het enorm toegenomen watertoerisme geworden. Er wordt voor roeiers zelfs ieder jaar een drukbezochte regatta georganiseerd. Jaarlijks is vanaf 1 november de sluis gesloten. In het voorjaar keert de sluiswachter terug op zijn hoge post. 

Dit is een resumé van Henri Spijkermans’ lezing. Mocht u wat meer willen weten dan kunt u dat vinden door eenvoudig op de HKN website op Werinons  te klikken. Als u dan Hilversums Kanaal intikt krijgt u meer informatie. U vindt er dan tevens  wat verhalen omheen!   

Geschreven door Gerard Baar

Nieuwsbericht delen