![]() |
Historische Kring Nederhorst den Berg |
Hoe veel veen als turf uit het veen verdween7 november 2010 Op vrijdagavond 22 oktober j.l. gaf de heer Dick Koeleman uit Wilnis voor een gehoor van 45 personen een lezing over de vervening. Hij is vrijwilliger bij museum 'De Ronde Venen' aan de Herenweg in Vinkeveen. Het museum is een paar middagen open in de periode waarin vroeger de turf geproduceerd en vervoerd moest worden en wel van april tot en met oktober. Eerder beginnen bracht een groot risico met zich mee, want als de vorst over het opgebaggerde laagveen zou komen, verdween de benodigde samenhang om er turf van te kunnen maken en zou al dat zware werk voor niets zijn geweest. Het residu had er dan als grof bruin zand uitgezien. Zodra het gunstige tijdstip aanbrak, kwamen de veenbazen mankracht tekort om aan de vraag te voldoen. De streek beschikte lang niet over het benodigde aantal werklieden, maar aan de andere kant van de tegenwoordige grens, in Westfalen, Lippe en het Münster- en Osnabrückerland, stonden de 'Hollandgänger' te trappelen om in het rijke Holland hun schaarse inkomen aan te vullen. Ze hadden het geld nodig om de pacht aan de landheer te kunnen betalen en om met hun vaak grote gezinnen, de winter door te komen. Het was een gotspe dat hun vrouwen met de inzetbare kinderen voor de landheer de oogst binnen moesten halen. Na afloop van het seizoen keerden de Duitse huisvaders weer terug , per boot over het IJselmeer en daarna nog een aantal dagen te voet. De jonge Hollandgänger lang niet altijd, die trouwden hier en vestigden zich blijvend in de verveningsgebieden. Uit veel achternamen is op te maken dat het er heel wat geweest zijn, vooral in de Ronde Venen. Niet zo verwonderlijk, want in het grote gebied dat Mijdrecht, Wilnis, Vinkeveen en Waverveen omvat, is haast alles verveend. De dorpen liggen op een hogere rug, de zogenaamde binnenring en waren met elkaar verbonden door Zuwes, paden door het veen. De buitenring wordt gevormd door de Waver, Winkel, Amstel en de Kromme Mijdrecht. Vanaf deze veenriviertjes, die diep door het veen hun weg zochten, begon de ontginning. De eerste boeren groeven greppels om het bovenste gedeelte van het veen te ontwateren. Op die in cultuur gebrachte grond beoefenden zij en hun nazaten de landbouw. Rond 1500 kreeg de veeteelt de overhand, vanwege de daling van het veen. Op kleine schaal wonnen de bewoners al eeuwen turf voor eigen gebruik. Toen de vraag van buitenaf toenam, sloeg iedereen in het wilde weg aan het vervenen. Overal ontstonden kleine meertjes. Het dorp Waverbanken, achter Waverveen, is zelfs helemaal weggespoeld. Vanaf 1592 probeerde de lokale overheid daar paal en perk aan te stellen. Iedereen moest aan gaan geven hoeveel hij dacht te vervenen en daarvoor een borg van 50 gulden per morgen (0,85 ha) betalen. Een legakker behoorde minimaal anderhalve Rijnlandse roede breed te blijven (ongeveer vijf en een halve meter) en verplicht beplant te worden. Controle ontbrak en iedereen ging op de oude voet door. Begin 19e eeuw greep het Rijk in omdat de ontstane watervlaktes steeds meer een bedreiging vormden voor Amsterdam. Er moest bedijkt worden. Hoe ging die turfwinning nou eigenlijk in zijn werk tot de uitvinding van de veensteekmachine? Voor dag en dauw voeren de baggeraars in het donker met de praam naar de werkplek en zodra het licht werd gingen ze aan de slag. Slagturven met de baggerbeugel leest makkelijk weg, maar dat werktuig was zes á zeven meter lang. De stok had de dikte van een mannenarm en om de schouder niet te ontwrichten lag daarover een lang stuk leer. Dat kon om de stok heen gedaan worden om het ophalen van het met veenbagger gevulde net, dat onder aan de stok vastzat, íets gemakkelijker te maken. Wanneer de boot vol was boomde de baggeraar richting legakker waar hij zijn vracht met de boezemschop loosde tussen de veenwalletjes, op de van graszoden ontdane en met riet bedekte bodem. Via greppels liep het water weg. Het was aanpoten, vijftien uur per dag, alleen vol te houden door zes keer per etmaal te eten met als hoofdbestanddeel spek en nog eens spek. Wanneer op de legakker ongeveer 35 centimeter slib lag, kreeg de turf de verlangde afmeting van 22 centimeter. Het verspreiden en glad strijken gebeurde met de rakker (een stok met een dwarsplank). Daarna liepen een stuk of wat mannen op batsen net zo lang heen en weer tot het meeste water er uit getrapt was. Wanneer het veen genoeg ingedroogd was moest er een touw, dat precies in het midden tussen twee palen gespannen was, voetje voor voetje ingelopen worden. Die lijn diende als uitgangspunt voor het met een klauw uittekenen van de steeklijnen. Dan ging de steker aan de gang op klompen met een rechte neus. Hij stak daar iedere keer het steekijzer langs tot hij op het stro stuitte. Zo bleef hij mooi recht. Na het steken was het rapen, keren en nog eens keren tot de turf droog genoeg was om ze te 'steupelen'. De wind moest er doorheen. Bovenop die stapels kwam weer riet te liggen, verzwaard met de weggelegde zoden, zodat het grootste deel van de oogst droog verhandeld kon worden. In oktober vulden vrouwen de turfschuiten. In iedere turfmand legden ze vijftig turven. Nadat ze twintig manden aan boord gebracht hadden turfden ze dat met een streepje op het turfplankje. Tel uit je winst! Een in Vinkeveen opgerichte coöperatie startte in 1895 met een op stoom werkende veensteekmachine. Dat gevaarte sneed in één keer drie kubieke meter veen af tot een diepte van zes meter. In totaal zouden er vijf in bedrijf komen. De laatste, met een bronsmotor, is tot 1975 in gebruik gebleven. Turf winnen mocht toen niet meer. Het gevaarte ligt bij het museum en is sinds kort cultureel erfgoed geworden. Iedereen van u is wel eens over de provinciale weg naar Haarlem gereden. Zogauw u Vinkeveen voorbij bent, ziet u aan beide zijden weiland. Als u probeert in gedachten van dat groen blauw te maken, ziet u overal water tot aan Heemstede toe. Vergeet vooral de Haarlemmermeer niet. Geen wonder dat Amsterdam in zijn piepzak zat. Mijdrecht heeft vijf door het Rijk bedongen droogmakerijen en Wilnis Veldzijde (richting Woerden) was tot eind jaren twintig een woeste plas, maar dankzij de verplichting tot droogmaking was ook dat gevaar in 1923 geweken. De heer Koeleman besloot zijn verhaal met een statistiekje waaruit op te maken viel, dat ze hier in Nederhorst den Berg ook niet stilgezeten hebben. In 1760 kwamen de turfstekers tot een productie van ongeveer 15.000.000 turven, rechthoekig van vorm en met een lengte van 22 centimeter. Ze zijn allemaal in rook opgegaan. Bovendien was het een schijntje vergeleken met de landelijke jaarproductie van 12.000.000 ton in die periode. Gerard Baar Terug naar het nieuwsarchief. Terug naar Actueel. |
|
| © Historische Kring Nederhorst den Berg 2005-2011 | Contact | Over de site | RSS |