Historische Kring Nederhorst den Berg Historische Kring Nederhorst den Berg

Verslag: Friese kolonisten in de Horstermeer

1 januari 2008

Voor een gehoor van ruim 70 belangstellenden hield Dr Johan Frieswijk uit Beetsterzwaag, als historicus verbonden aan de Fryske Akademy, 23 november 2007 een lezing over de Friese kolonisten in de Horstermeer. Deze pioniers waren daar terechtgekomen via de schrijver- arts Frederik van Eeden, die in 1898 in Bussum de kolonie Walden stichtte, een coöperatieve woon- en werkgemeenschap. Een jaar later ontstond de christen-anarchistische kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum, die gebaseerd was op een communisme dat uitging van de Bergrede van Jezus. In 1901 gaf Van Eeden de aanzet tot het oprichten van de 'Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit'. Deze vereniging had tot doel bestaande kolonies te verenigen en de vorming van nieuwe kolonies en coöperatieve bedrijven te bevorderen. Bij die oprichtingsvergadering op Walden waren Friese landarbeiders aanwezig, revolutionaire aanhangers van Domela Nieuwenhuis, die maar al te graag op de ingeslagen weg verder wilden. Ze grepen met beide handen de geboden mogelijkheid aan om hun idealen voort te zetten. De meesten werkten al op de tuin in een van de bestaande kolonies. Een van hen, Nanne Sjoerds de Boer, werd de secretaris van de nieuwe vereniging.

In september 1902 begon het voor de Friezen echt in de Horstermeer. In die in 1882 drooggemaakte polder was de prijs van de grond laag, maar daar stonden hoge polderlasten tegenover. De kolonie Nieuwe Harmonie vestigde zich op 20 hectare bouw- en weiland, die voor 1500 gulden gekocht waren door Van Eeden. De leiding gaf hij aan Nanne de Boer, die op Walden al gewend was de tuinderszaken te regelen. Hij kwam uit de 'kleine bouwhoek' van Noordwest Friesland, gelegen rond Harlingen, uit het dorpje Pingjum. Hij begon samen met twee zwagers, Bouke Rijpma en Sybren Andela, allebei Domela aanhangers. In 1904 haalde hij er nog twee Friese landarbeiders bij, Klaas Risselada en Thomas Althuis respectievelijk uit Pingjum en Beetgum. Een jaar later voegden zijn zwager Wypke Rijpma eveneens uit Pingjum en de ongehuwde Hendrik Snijder uit het Friese Scherpenzeel zich nog bij de groep. Zo te zien zou dat goed moeten gaan. Het liep een tijdje goed, temeer daar de opzet van Nieuwe Harmonie anders was. Door ervaring wijzer geworden had Van Eeden geen intellectuelen en kunstenaars aan de bezetting van deze kolonie toegevoegd, want in de volksmond stond voor Walden 'waar allen luieren daar eet niemand'. Verschillende levensritmes en de nodige kennis om elkaars werkzaamheden op te vangen ontbraken daar ten enen male. Niet te overbruggen problemen, zoals later zou blijken.

Op Nieuwe Harmonie sloegen de idealisten de handen ineen en kromden hun ruggen om te proberen er wat van te maken. Het uiteindelijke doel was toch het in het verschiet liggende gezamenlijke profijt. Ze kregen 9000 gulden mee van Van Eeden, waarmee de kolonisten op coöperatieve basis aan de opbouw van hun kolonie begonnen. Dat geld hadden ze hard nodig. De Friese timmerman Sytse de Haan kreeg opdracht tot het bouwen van een huisje voor elke familie, zodat er gelijk al een flinke hap uit het budget genomen werd. Verder lag het land laag en was bovendien van slechte kwaliteit. Er moesten dure loonarbeiders ingehuurd worden om de grond in cultuur te brengen. Een muizenplaag, gecombineerd met slechte marktprijzen, leidde tot slapeloze nachten bij alle leden en belanghebbenden. Van Eeden verwachtte op grond van optimistische berichten van De Boer snel rendement te zullen krijgen van zijn geld. Hij zag niet in dat alles niet een twee drie voor elkaar kon zijn. Snel gewin bleef uit maar zijn investering resulteerde uiteindelijk wel, door het gezwoeg van de families op Nieuwe Harmonie, tot het introduceren van de tuinbouw in de Horstermeer.

Weer daagde er een Fries op aan de horizon. Bierma, een grote landbouwer uit St. Jacobiparochie, bezocht in 1904 de polder. Bierma zocht mogelijkheden om een boerderij te stichten waar hij melksterilisatie kon gaan toepassen. Na contacten met De Boer resulteerde dat in het kopen van 25 hectare weideland door De Boer met door Bierma ter beschikking gesteld kapitaal. Hiermee begon De Boer een eigen zuivelbedrijf. Hij had al drie hectare van de kolonie en het boerderijtje in erfpacht van Van Eeden. Daarnaast bleef hij Nieuwe Harmonie - het persoonlijke eigendom van Van Eeden- leiden. De veeteelt bleek lucratiever dan de verbouw van aardappelen, kool, bieten, haver, en vlas. De polder had nog steeds de waterbeheersing niet op orde. Veel land bleef te nat. De twee stoomgemalen schoten te kort vanwege de altijd maar voortdurende kwel. Een Fries die later in het verhaal opduikt, zou dat weer regelen, Durk Oebles de Vries.

Eerst moet het verhaal over De Boer afgerond worden. De Boer zag graag, dat iedere kolonist op Nieuwe Harmonie een eigen stukje land ter bewerking kreeg. Van Eeden echter hield dat tegen, hij wilde onder geen beding eigen bedrijfjes voor arbeiders. In 1907 kwam door het financiële debacle van Walden, Nieuwe Harmonie noodgedwongen in de verkoop. De Boer kocht het voor bijna 13000 gulden van Van Eeden. Hij breidde in de jaren daarna zijn bezit in de polder steeds verder uit. In 1911 reisde hij nog voor Van Eeden naar Amerika. Dat resulteerde in de Van Eeden Colony in Noord Carolina. De Boer keerde na een jaar terug. Het land was hem te groot. De kolonie, een experiment, mislukte. De Boer boerde tot 1917 weer verder in de Horstermeer. Toen deed hij zijn bedrijf over aan broer Frans en vertrok naar Friesland.

In 1906 waren er al kolonisten teruggekeerd naar hun Fryslan toen ze doorkregen dat het communistische experiment in de Horstermeer niet van de grond kwam. Blijver Risselada verweet De Boer dat hij geen coöperatie wilde stichten uit angst zijn positie te verliezen. Een oude ruzie binnen de kaatsclub van Pingjum gebruikte Risselada om aan te tonen dat De Boer niet recht in de socialistische leer zou zijn. Dat geschil heeft de verhoudingen vertroebeld. Pas in 1909 gingen de twee uit elkaar. Waarschijnlijk had Risselada toen pas het geld om een stuk ruig land te kopen. In 1916 teelde hij de eerste witlof in de polder. Zijn pionierswerk bracht op de pas opgerichte veiling van Hilversum f 1,27 de kilo op. Rijpma en Andela hadden zich inmiddels ook iets eigens aangeschaft in de Horstermeer, waar ze tot hun dood toe gewoond en gewerkt hebben.

De Horstermeer nam nog meer spijtoptanten op. Jan Wiersma, zijn zoon Ourens en Sybe Postma. Ze keerden gedesillusioneerd de Internationale Broederschap te Blaricum de rug toe. Daar hadden ze het tuinbouwbedrijf winstgevend gemaakt, maar kregen genoeg van de hele en halve intellectuelen. Toen er één de mesthoop opliep om te plassen, al uitroepend dat alles bewaard moest blijven, zal dat de druppel geweest zijn die de emmer deed overlopen. De echte reden was een ruzie over de religieuze grondslag van de kolonie. De drie kregen 2000 gulden mee om de veenderijkolonie Vrij Friesland in Nijbeets te kopen. Dat ging niet door omdat de kolonisten daar hun woningen niet wilden verlaten. Uiteindelijk zijn de Wiersma's en Postma met behulp van de deurwaarder in 1911 uit de Internationale Broederschap gezet. Als troost kregen ze een paard, een deel van de winkelvoorraad en de kas mee. Ze belandden in de polder waar ze de rest van hun leven doortuinden. De meest kleurrijke figuur die de polder gekend heeft was Durk Oebles de Vries. Vanwege zijn anarchistische ideeën en zijn propaganda voor de Nederlandse Bond van Landarbeiders had hij zich in Friesland onmogelijk gemaakt. Na een bezoek aan Walden kocht hij in 1904 met geleend geld van zijn laatste baas twee bunder land in de polder. Hij liet er gelijk een huis neerzetten. Zijn eerste karwei was het rooien van boomstronken, want hij had een stuk goede grond te pakken gekregen, oude bosgrond. Hij begon met het kweken van groente en fruit. Wanneer hij handen tekort kwam hielpen zijn vrouw en kinderen. Hij boerde er met een paar koetjes en een varken wat bij. Een onvermoeibaar mens. Om zelf zijn groente naar de Hilversumse handelaren te brengen, leende hij weer geld voor een paardje. Uit bewondering voor Domela Nieuwenhuis, die in Hilversum woonde, bracht hij hem vaak gratis groente en fruit. De Vries verkreeg zijn agrarische kennis door zelfstudie. Weldra werd hij een gewaardeerde adviseur voor de kwekers in de polder. Tevens had hij een groot aandeel in de totstandkoming van de coöperatieve veiling Hilversum. In 1910 benoemden de leden hem tot voorzitter. Die functie bekleedde hij 15 jaar. Verder stichtte hij in de polder een coöperatieve aankoopvereniging voor kunstmest, poot- en zaaigoed. Twintig jaar, tot aan zijn dood, zat hij het polderbestuur voor en was als dijkgraaf verantwoordelijk voor het waterpeil en de dijken. Hij realiseerde in 1923 het elektrische poldergemaal en kreeg de omringende polders zo ver, dat ze gingen meebetalen aan de lasten van de Horstermeer. Bovendien democratiseerde hij het stemrecht in de polder. Iedereen die meer dan een hectare land bezat mocht een stem uitbrengen. Hij beijverde zich om alles wat er nog niet was in de polder tot stand te brengen. Elektriciteit, een verharde weg, zelfs een school. Een openbare met aan het hoofd een Fries, meester Kremer. Ook in de gemeentepolitiek deed hij mee, als raadslid voor de partij Polderbelangen. Hij was niet de enige Horstermeerder in de gemeenteraad. Jochum Bart, brievenbesteller uit Nieuwe Niedorp de tweede kolonie van de Internationale Broederschap, was de andere. Het duo De Vries/Bart vormde de informele leiding van de vrij-socialistische enclave in de polder.

Het leven bleef zwaar voor de polderbewoners. In de jaren twintig trok een wervelstorm over de Horstermeer. Alle kassen gingen plat, waardoor de schade groot was temeer daar ook de oogst verloren ging. In de crisisjaren konden de tuinders geen peil op de verdiensten trekken. Het doordraaien van de groente was aan de orde van de dag. De onzekerheid vrat vaak aan de bewoners. De Horstermeer was lange tijd een rode hoek en vormde zo een gemeenschap op zich die los stond van het hoofdzakelijk christelijke dorp Nederhorst den Berg. Er was - naar vrij-socialistisch gebruik- zo goed als geen vereniging. Ondanks dat werden er allerlei activiteiten georganiseerd. Ze nodigden socialistische sprekers uit en voerden toneelstukken op in een eigen schuurtje. Toen het te bouwvallig werd kwamen ze in het café van Kuiper terecht, de waardin waakte over de bezoekers, want na twee biertjes vroeg ze 'kun je het wel betalen?' Ook het geven van cursussen was een geliefde bezigheid. In de zomer van 1911 vond een grote openluchtbijeenkomst plaats op het land van Andries Siewertsen. De vrije socialisten I. Samson en J. Schout spraken daar een honderdtal mensen toe. Daarnaast trok wel eens een groep op de fiets naar elders om andere evenementen te bezoeken. In de jaren twintig waren de anarchist Anton Constandse en de christenanarchistische predikanten Bart de Ligt en Jan Schermerhorn geziene gastsprekers in de Horstermeer.

De naar de Horstermeer getrokken Friese en West-Friese vrijdenkers hebben hun steentje bijgedragen aan het ontwikkelen en het instandhouden van de polder, samen met de andere uit allerlei denk- en windrichtingen aangewaaide mensen met pioniersgeest.
Gerard Baar.

Terug naar het nieuwsarchief.

Terug naar Actueel.

© Historische Kring Nederhorst den Berg 2005-2011 | Contact | Over de site | RSS